Op zijn 79ste had Bryan Ferry gemakkelijk alleen kunnen kiezen voor een nostalgische tour of nog een verzamelbox. In plaats daarvan dook hij zijn archieven in, viste onuitgebrachte demo’s op en ging in zee met de Schotse kunstenares Amelia Barratt. Het resultaat, ‘Loose Talk’, laat zich niet in een hokje stoppen – en dat is maar goed ook.
Ferry heeft voor dit project muzikale schetsen opgediept die teruggaan tot de vroege jaren ’70. Fans kunnen eindeloos speculeren over de herkomst: is die met ruis bedekte piano op ‘Big Things’ een relikwie uit de Roxy-jaren? Had die vreemde funkbas op ‘Stand Near Me’ op ‘Manifesto’ moeten belanden? Het maakt eigenlijk niet uit. Ferry heeft deze fragmenten samen met onder meer Roxy-drummer Paul Thompson omgevormd tot iets nieuws. Daarnaast is hij ook voor enkele stukken opnieuw aan het componeren gegaan.
Wat ‘Loose Talk’ echt bijzonder maakt, is de samenwerking met Barratt. Haar teksten, voorgedragen in een koele, afstandelijke BBC-stem, creëren een intrigerende spanning met Ferry’s sfeervolle muziek. Ze schetst beelden die tegelijk helder en raadselachtig zijn. Je volgt moeiteloos wat er gebeurt in ‘Holiday’ of ‘Cowboy Hat’, maar je voelt dat er iets cruciaals buiten beeld blijft. In ‘Florist’ eindigt de verteller in tranen zonder dat je precies weet waarom; in het titelnummer voelt eenzaamheid als een opluchting én als een verstikkende deken. Barratt blijft een koele observatrice, waardoor je nooit echt weet wat er is gebeurd.
Barratt’s aanpak doet denken aan Rachel Cusk, die in haar ‘Outline’-trilogie een verteller opvoert die ogenschijnlijk emotieloos de verhalen van anderen registreert. Er zijn ook echo’s van Deborah Levy, bij wie alledaagse dingen plotseling geladen worden met diepere betekenis.
Het album past bovendien in een traditie waar Ferry zelf pas recent kennis mee maakte: de Franse slam. Het is geen toeval dat ‘Loose Talk’ in Frankrijk warm is ontvangen door de schrijvende pers. De verfijnde versmelting van poëzie en muziek die we kennen van artiesten als Grand Corps Malade (die met ‘Midi 20‘ meer dan 600.000 platen verkocht) sluit naadloos aan bij wat Ferry en Barratt doen. Ook het werk van Gaël Faye, succesvol als muzikant én schrijver, en Kwal, die sonnetten van renaissancedichter Du Bellay naar onze tijd bracht, toont verwantschap.
Laten we eerlijk zijn: dit is geen plaat voor de massa. Je gaat hem niet snel op de radio horen of in de hitlijsten terugvinden , maar dat is precies Ferry’s punt. In plaats van veilige keuzes maakt hij, in de herfst van zijn carrière, een album dat resoluut vooruitkijkt. De melancholie die altijd al in zijn werk zat – Ferry zelf verwijst naar zijn liefde voor bluesmuzikanten als Leadbelly – krijgt een nieuwe, meer abstracte vorm.
Het album heeft zijn zwakke momenten. Een stuk als ‘Demolition’ mist een eigen karakter. Maar er zijn ook prachtige, spookachtige passages wanneer oude vocale fragmenten opduiken, zoals op ‘Landscape’. Ferry’s melodieën zijn prachtig, en de soms onverstaanbare lo-fi-zang werkt als een vervaagde herinnering.
‘Loose Talk’ vraagt om aandacht, om stilte, om concentratie – schaarse goederen in onze tijd. Het zal alleen aanslaan bij een kleine groep liefhebbers. Maar wie zich overgeeft aan het samenspel tussen Barratt’s koele stem en Ferry’s klanklandschappen, wordt beloond met een luisterervaring die nog lang blijft hangen.
Het is misschien geen nakend commercieel succes, waarin ik me graag vergis, maar wel een artistiek hoogstandje dat bewijst dat Bryan Ferry, zelfs na vijf decennia in de muziek, nog steeds nieuwe wegen durft in te slaan. Een bescheiden meesterwerk. (9/10) (Dene Jesmond Records)