Iedere week komen er tientallen nieuwe albums binnen op de redactie van Maxazine. Veel te veel om ze allemaal te beluisteren, laat staan te recenseren. Iedere dag één recensie zorgt ervoor dat er te veel albums blijven liggen. En dat is zonde. Daarom plaatsen we vandaag een overzicht van albums die op de redactie binnenkomen in korte recensies.
Dimitri Nasser – America in the Key of Black
Niet eerder was de dreiging van een allesomvattende oorlog zo voelbaar als op dit moment, al zal menig babyboomer je ervan verzekeren dat ze adem inhielden toen in 1962 de Sovjetschepen Cuba tot tachtig kilometer naderden, met geladen kernkoppen. Toch: de dreigende taal in zowel oost als west zal menigeen het angstzweet doen uitbreken. Er is niets mis met musici die opstaan voor mensenrechten of zelfs de wereldvrede. Integendeel. Maar het kan er ook te dik bovenop liggen. In ‘Hum Allah Hum Allah’ horen we een donkere stem ineens een zalvende tekst prediken: vrede is wat het volk wil. Dat gaat een tijdje door op een nietszeggend pianoriedeltje totdat Jamal Moore het met een saxofoon-improvisatie overneemt en het stuk zich zowaar ontwikkelt. Zo beginnen we aan ‘America in the Key of Black’ van pianist Dimitri Nasser die het titelstuk met een deprimerende Stars en Stripes laat beginnen, met de treurende trompet van Scott Strother – om de compositie daarna in een soort tweetrapsraket te laten overgaan in up tempo swing-jazz waarbij Strother naar hartelust mag improviseren. Dat doet de trompettist met verve en dan hoor je dat het gezelschap rond Nasser zich nog het meest thuisvoelt in de swing, bijvoorbeeld in ‘Modern Day Blues’ met een hoofdrol voor drummer Themba Mkhatshwa. Het kan niet voorkomen dat dit een matig album is, met de beste intenties, maar met net teveel clichés. En die zijn dodelijk in improvisatiejazz. (Jeroen Mulder) (6/10) (Crescent Piano)
Sunny War – Armageddon in a Summer Dress
In een verrassende wending van haar folkblues-pad stapt Sunny War met ‘Armageddon in a Summer Dress’ naar ruwere, uptempo oorden. Deze verzameling van elf tracks zweeft tussen post-punk energie en new wave texturen, waarbij War’s vocalen flirten met slam-poëzie intensiteit. ‘Bad Times’ opent een onverwacht venster: een speels orgeltje dat de weg vrijmaakt voor een groovy, zorgeloos intermezzo temidden van de rauwe energie. Dit is geen album dat zich verliest in esthetische perfectie of etherische gevoelens—het is een plaat die vraagt om volume en beweging. De samenwerking met Appalachian soul-koningin Valerie June voegt een intrigerende dimensie toe aan War’s stedelijke ruwheid. ‘Cry Baby’ schittert als potentiële radiohit, zonder haar eigenheid te verliezen. Deze collectie verrast door zijn onpretentieuze vreugde—een soundtrack voor alledaagse rebellie, voor het stofzuigen met een punkagressie. War’s nieuwe geluid is een vreemde maar welkome verschuiving, een zomer-apocalyps die zowel ontregelend als bevrijdend werkt. (Jan Vranken) (7/10) (New West Records)
Basia Bulat – Basia’s Palace
In de schemering van haar persoonlijke paleis creëert Bulat een dromerig klanklandschap waar synths en strijkers elkaar ontmoeten. Deze collectie vormt een intrigerende wending in haar oeuvre; weg van de folky live-optredens die haar bekendheid brachten, richting een gelaagdere elektronica-geïnspireerde sound. De Canadese zangeres put inspiratie uit nachtelijke sessies, Poolse disco en Cohen’s vroege ochtendcomposities. Op ‘Disco Polo’ weeft ze een eerbetoon aan haar vaders muzikale erfenis, terwijl ‘Baby’ kwetsbaarheid omvormt tot een elegante dansmelodie.Bulat’s stem blijft het anker – gevuld met emotie die zweeft boven MIDI-soundscapes en subtiele arrangementen. Het album voelt als een tijdreis door persoonlijke herinneringen, met songs die tegelijkertijd nostalgisch en verrassend modern klinken.In samenwerking met producer Lawson en mixer Martine heeft Bulat een sonisch dagboek gecreëerd dat verschillende werelden overbrugt: tussen wakker zijn en dromen, tussen verleden en heden, tussen experimenteel en toegankelijk.Een gedurfde maar geslaagde transformatie. (Anton Dupont) (7/10) (Secret City Records)
Wrekmeister Harmonies – Flowers in the Spring
In het experimentele klankspectrum ontvouwt ‘Flowers in the Spring’ zich als een duistere meditatie. Robinson en Shaw’s nieuwe creatie markeert hun terugkeer naar instrumentale drone, een bewuste afwijking van hun recente gestructureerde werken. Over vier uitgestrekte composities worden luisteraars meegevoerd door vervormde gitaarlandschappen, synthesizer-onderstromingen en texturele elementen die golven als getijden onder een zwarte hemel. De albumtitel misleidt doelbewust—hier bloeien weinig bloemen en heerst nauwelijks lente. Deze bijna-uur durende klankreis biedt geen conventioneel muzikaal verhaal, maar functioneert als aurale therapie vergelijkbaar met ASMR. Gelaagde gitaartexturen creëren een tijdloze ruimte waar geluidsgolven zich opstapelen als geologische formaties. Conceptueel gedurfd zal dit album commercieel niet hoog scoren door zijn compromisloze experimenten. Toch bereikt het iets zeldzamers—een transformatieve luisterervaring die werkt als zowel kunstinstallatie als meditatieve praktijk, fascinerend in zijn ontoegankelijkheid. (Jan Vranken) (6/10) (Wrekmeister Harmonies)
Civilistjävel! – Följd
In de ijle, grijze ruimte tussen ambient en techno vindt Thomas Bodén zijn unieke stem. Met ‘Följd’ zet de Zweedse producer zijn minimalistische verkenningen voort, waarbij hij met spaarzame middelen verrassend rijke klanklandschappen schept. De plaat opent als een panoramisch niemandsland: kale sinusbassen en melancholische melodica tonen die langzaam de luisteraar meetrekken in Bodéns verstilde wereld. Wat volgt zijn negen tracks die balanceren tussen het klinische en het hypnotische. Het tien minuten durende ‘XVI’ vormt het stralende centrum van de plaat. Vanuit een kale, klikkerige beat ontplooit zich geleidelijk een majestueus akkoord dat een verlaten landschap transformeert tot een idyllische weide.Bodén excelleert in het vinden van schoonheid in het kleine: een simpele toonladder op ‘XV’, een eenzame drone op ‘XVII’ die uitgroeit tot iets bijna transcendents. De plaat sluit met Thomas Bush’ kwetsbare vocalen die wegglijden in een bed van reverentiele akkoorden. ‘Följd’ is geen toegankelijke luisterervaring, maar wie geduld heeft, ontdekt steeds nieuwe lagen in deze ogenschijnlijk kale composities. (Jan Vranken) (7/10) (Thomas Boden)